Statistieken, Wetgeving en Beleid

Op deze site analyseren wij vaak epidemiologische onderzoeken op het terrein van roken en meeroken en leggen daar altijd algemeen aanvaarde wetenschappelijke criteria langs om te bepalen of een conclusie terecht is getrokken.


De interpretatie van dit soort onderzoeken is voor leken vaak erg moeilijk en daarvan wordt door de gezondheidsindustrie vaak handig gebruik gemaakt.


Professor Dr. Frank van Dun, hoogleraar natuurrecht en economie aan de universiteiten van Maastricht en van Gent, schreef een zeer leesbaar stuk over het gebruik van statistiek in de politiek en legt daarin op eenvoudige wijze uit hoe die onderzoeken moeten worden geinterpreteerd en hoe ze vaak onterecht misbruikt worden om politieke doelen te bereiken. Bovendien waarschuwt hij tegen het ‘voorzorgsprincipe’, zoals dat nu ook door de EU onderschreven wordt.


Regelmatig duiken in de media sensationele verhalen op van het type ‘Onderzoek wijst uit dat V een oorzaak is van W’ of ‘Gebruikers van S hebben x keer meer risico op T’. Vaak zijn dat althans op het eerste gezicht erg verontrustende berichten. Scholen, verkiezingscampagnes en brochures en campagnes voor fondsenwerving van allerlei pressie- en actiegroepen dragen ruimschoots hun steentje bij tot het creëren en instandhouden van wat men wel ‘de cultuur van de angst’ noemt.


Bijna al die waarschuwingen berusten op statistisch onderzoek; slechts uitzonderlijk blijkt de berichtgeving te verwijzen naar klinisch of gecontroleerd experimenteel onderzoek. Zij heeft het bijna uitsluitend over verbanden die ‘mogelijk’, ‘naar men vermoedt’, ‘waarschijnlijk’ of ‘het valt niet uit te sluiten’ interessante onderwerpen voor wetenschappelijk onderzoek zijn. Het is evenwel pas nadat onderzoek is gedaan en nadat het de test van de wetenschappelijke kritiek heeft doorstaan dat men kan zeggen of er een causaal mechanisme is dat de statistisch gevonden ‘verbanden’ verklaart.


De ‘cultuur van de angst’ drijft niet op wetenschappelijk onderzoek maar op de ruchtbaarheid die gegeven wordt aan met louter statistische methoden gevonden verbanden.


De opmars van de statistiek is niet beperkt tot de media. De uitbreiding van het staatsapparaat in de twintigste eeuw ging gepaard met bureaucratisering en professionalisering. Allerlei ‘deskundigen’ werden aangetrokken om gegevens te verzamelen, onderzoek te doen en beleid te formuleren en te evalueren. Vandaag vinden heel wat afgestudeerden van de universiteiten en hogescholen een broodwinning als beleidsmedewerker, onderzoeker of consultant van de overheid.


Ministeriële departementen, overheidsdiensten en ook internationale bureaucratieën staan onder druk om hun werking en budgetten rechtvaardigen. Zij moeten dus aantonen dat zij zich met ‘belangrijke problemen’ bezighouden en ook dat zij bereid en bekwaam zijn daar wat aan te doen.


Datzelfde geldt voor politici en politieke partijen. Het uitgangspunt van de verzorgingsstaat is immers dat ‘de mensen zelf’ niet bekwaam of in staat zijn hun leven dat ‘toch zo ingewikkeld geworden is’ op een behoorlijke manier te leiden. De implicatie is dat zij hun leven beter door deskundigen kunnen laten leiden. Aan de politici komt dan de taak toe de relevante deskundigen te selecteren.


Zij bepalen ook welk onderzoek een ‘politiek gevolg’ krijgt of genegeerd wordt, en hoeveel belastinggeld voor een en ander nodig of beschikbaar is.


Uiteraard laten de politici zich voor die taken graag bijstaan door deskundigen vaak dezelfde lieden die in aanmerking komen om het te subsidiëren onderzoek uit te voeren. Zo ontstaat er collusie van politieke en academische autoriteiten en elites. Als gevolg daarvan gaan in een aantal ‘gevoelige kwesties’ (zure regen, klimaatopwarming, BSE, aids en dergelijke) honderden miljoenen euro naar het onderzoek van een enkele hypothese. Alternatieve hypotheses blijven in de kou staan. Hoogstens enkele onderzoekers buiten de grote (dat wil zeggen massaal gesubsidieerde) instituten houden zich ermee bezig. Als zij $10.000 subsidies ontvangen van bepaalde industriële sectoren dan wordt hun dat zwaar aangerekend. Zij zijn dan per populaire definitie ‘niet onafhankelijk’. Tien of honderd keer hogere subsidies of aanstellingen in een onderzoeksinstituut of programma van de EU, de Amerikaanse overheid, het EPA, de WGO, Greenpeace en andere ‘foundations’ met een min of meer uitgesproken politieke agenda hebben daarentegen blijkbaar geen effect op de onafhankelijkheid van onderzoekers. Integendeel, althans voor de media lijken zij veeleer certificaten van ‘onafhankelijkheid’ te zijn.


Statistieken, tellingen, steekproeven en bewerkingen uitgevoerd op de resultaten daarvan zijn nu belangrijke instrumenten van politieke propaganda en beleid. Statistisch berekende risicowaarden worden gewikt en gewogen, aanvaardbaar of te hoog te bevonden. Wij vinden ze terug in allerlei wettelijke en administratieve normen en maatstaven: veiligheidsnormen, concentratienormen, doseringsnormen, snelheidsnormen, en dergelijke. Net boven of net onder de norm het kan verstrekkende financiële en andere gevolgen hebben. Producten, diensten, beroepen en activiteiten worden gereglementeerd, aan belastingen onderworpen of zelfs verboden op grond van ‘statistische bewijzen’ van hun schadelijke effecten op veiligheid, gezondheid, milieu en dergelijke.


De leek kan gemakkelijk de indruk krijgen dat het maatschappijmanagement van de moderne beleidsstaat met alle mogelijke waarborgen van de wetenschappelijke methode omkleed is. Er zijn echter kritische stemmen. Veel van de in het publieke leven gebruikte of geciteerde statistieken zijn controversieel of worden door specialisten zelfs als ondeugdelijk beschouwd. Beschuldigingen van in- competent of bedrieglijk gebruik en misbruik van statistieken zijn niet van de lucht. De term ‘junk science’ (rommelwetenschap) is nu al goed ingeburgerd in discussies over voedselhygiëne, gezondheids- en milieubeleid. In grote rechtszaken, waar reusachtige schadevergoedingen op het spel staan, wordt gegoocheld met statistieken van verdacht allooi. Velen vooral de zogeheten ‘deep pockets’ (bedrijven, ziekenhuizen, gemeentelijke overheden, hun verzekeraars) geven er de voorkeur aan zich naar grondloze normen te schikken of geschillen in der minne te regelen. Dat is goedkoper dan een aanslepend geding met onzekere afloop te beginnen en ondertussen in de pers te schande gemaakt te worden.


Alleen al dreigen met een geding wordt zo voor advocaten, forensische deskundigen en adviseurs een lucratieve bezigheid. Op dezelfde wijze kunnen politici en ambtenaren druk uitoefenen op bedrijven, sectoren of bevolkingsgroepen door te dreigen met reguleringen en normeringen waarvan zijzelf weten dat zij geen serieuze basis hebben. Dergelijke gevallen van ‘legale afpersing’ zijn verre van zeldzaam, zowel op het nationale als het internationale vlak.


Toch laten leken en veel mensen zijn leken als het op statistieken aankomt zich blijkbaar vlot imponeren door cijfers, percentages, risicometingen en dergelijke. Politici en ook juristen zijn geen uitzondering op die regel. Dat is geen goede zaak. Zij hebben geregeld te maken met wetten, beleid en argumentaties waarin statistische gegevens, theorieën en conclusies prominent aanwezig zijn. Als zij niet bekwaam zijn goed en slecht statistisch onderzoek, gepast gebruik en misbruik van statistiek te onderscheiden dan lopen zij het risico onzin te verkondigen en veel kwaad te doen. Dat er gevallen zijn waarin er met de toepassing van statistische methoden prachtige en nuttige resultaten worden geboekt, is onbetwistbaar. Er zijn echter ook andere gevallen. Van de vooroordelen en de statistische incompetentie van nationale, supranationale of internationale overheids- en beleidadviserende instanties kunnen duizenden tot miljoenen mensen het fysieke of financiële slachtoffer zijn.


Dat risico is reëel. In 1991 werd onder druk en invloed van Greenpeace en het Environmental Protection Agency (EPA, een Amerikaanse overheidsdienst) het chloreren van drinkwater in Peru stopgezet. De maatregel leidde vrijwel onmiddellijk tot een cholera-epidemie. Ten minste achthonderdduizend mensen werden ziek, waarvan ten minste een zesduizendtal met dodelijke afloop. De maatregel was gebaseerd op de toen door Greenpeace gepropageerde idée fixe dat chloor in alle concentraties en doseringen giftig is en op de classificatie door het EPA van chloor als een risicofactor voor kanker. Chloor is inderdaad een bijtende stof die bijna alle metalen kan aantasten. Het is ook een component in honderden voor plant en dier vitale stoffen, onder meer zout en de menselijke verteringssappen. Voor het ontsmetten van drinkwater is het buitengewoon goed geschikt.


Complete artikel (26 pag., PDF)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Download poster

Citaten

  • "Es ist schwieriger, eine vorgefaßte Meinung zu zertrümmern als ein Atom."
    (Het is moeilijker een vooroordeel aan flarden te schieten dan een atoom.)
    Albert Einstein

  • "Als je alles zou laten dat slecht is voor je gezondheid, dan ging je kapot"
    Anonieme arts

  • "The effects of other people smoking in my presence is so small it doesn't worry me."
    Sir Richard Doll, 2001

  • "Een leugen wordt de waarheid als hij maar vaak genoeg wordt herhaald"
    Joseph Goebbels, Minister van Propaganda, Nazi Duitsland


  • "First they ignore you, then they laugh at you, then they fight you, then you win."
    Mahatma Gandhi

  • "There''s no such thing as perfect air. If there was, God wouldn''t have put bristles in our noses"
    Coun. Bill Clement

  • "Better a smoking freedom than a non-smoking tyranny"
    Antonio Martino, Italiaanse Minister van Defensie

  • "If smoking cigars is not permitted in heaven, I won't go."
    Mark Twain

  • I've alllllllways said that asking smokers "do you want to quit?" and reporting the results of that question, as is, is horribly misleading. It's a TWO part question. After asking if one wants to quit it must be followed up with "Why?" Ask why and the majority of the answers will be "because I'm supposed to" (victims of guilt and propaganda), not "because I want to."
    Audrey Silk, NYCCLASH